vrijdag 28 oktober 2011

Digitalië

Mijn werk was ooit iets met veel knoppen en nog veel meer mensen. Het beviel goed en ik geloof dat het ook wel bij me paste. Voor dat laatste zou ik als bewijs aan kunnen dragen dat het zo onwaarschijnlijk makkelijk was om op te klimmen van obscure (gelegenheids-)bandjes in kraakpanden naar de grootste venues met gevestigde acts in den lande.

een logische stap verder zou zijn: Het buitenland, maar ergens liep ik vast. Niet in de muziek, maar in het leven wat ik mezelf voor probeerde te liegen.

Nu kijk ik wel eens op facebook en andere webstekken naar mijn collega's uit die tijd. Toen waren we allemaal Grote Jongens die een stempel op de wereld zouden gaan drukken en we keken onze ogen uit als één van de anderen weer iets kon, deed of maakte wat weer een treetje hoger of moeilijker was. We groeiden samen op, zal ik maar zeggen.
In mijn generatie zitten nu de ouwe rotten die de hele wereld over zwerven. Ik zie ze op foto's staan in verre woestijnen, naast immense watervallen. Ik zie ze werken in 'venues' waar duizenden mensen aan publiek in passen.. Soms binnen, even vaak openlucht. Ik zie publiek in exotische kleding. Op de achtergrond staan borden, beschreven in talen die voor mij onleesbaar zijn.

Mijn generatie werkt met apparatuur waarvan ik het bestaan wel ken, maar de werking zeker niet in de vingers heb. In mijn tijd was een knop en knop die deed wat ernaast stond vermeld en een heleboel knoppen samen waren een mengtafel. Mengtafels bestaan niet meer; het zijn nu 'control surfaces' met beeldschermen en encoders. termen als 'Menu' en 'Layer' zijn het vak ingeslopen. Getrainde oren vinden steeds meer en vaker steun in verfijnde computermetingen.

Maar het gaat nog steeds om de muziek, zeg ik bij mezelf. Zou ik ze nog in kunnen halen, deze mannen waar ik op een bijzondere manier van hou -ze zijn immers van een soort waar ik me heel erg bij thuis kon voelen-.
Ik denk het wel, maar niet het hele eind. Maar tot waar dan wel, en hoe? Want uiteindelijk ben ik toch echt een vrouw en 'een wijf achter de knoppen' is heel zeldzaam.
Ik merk dat de interesse van een vrouw waar het gaat om technische toestanden, heel anders is dan die van een man. Vrouwen hebben werkelijk 'andere ogen' als het gaat om ijzer, staal en elektriek.

Dus ik kijk naar mijn collega's van toen, geniet van hun foto's en ik droom weg in de herkenning van wat ooit ook mijn wereld was. Soms heb ik heimwee, echt waar. Maar waar verlang ik nou precies naar?
Ik denk de sfeer van de tovenarij, want uiteindelijk is het magisch om een show neer te zetten. Soms zijn ze meerdere dagen in de weer om een sportarena om te toveren in een muziektheater. Honderden mensen die eensgezind de handen uit de mouwen steken, apetrots op hun eigen stuk vakbekwaamheid. Professionaliteit uit liefde. Gedereven om het meeste van je wek onzichtbaar te maken, want hoevelen in het publiek zullen ooit zien dat er vele, vele meters staal en aluminium achter het zwarte doek zitten.W ie weet hoeveel kilometers koperdraad er dagelijks 'on tour' zijn met al die bands die van hier naar daar hoppen?

Ik denk daaraan met een glimlach. Ik zie ze weer zitten in een hok wat 'catering' heet. Stilletjes geurend naar zweet en luidkeels lachend om het leven wat ze hebben gekozen. Elkaar goedmoedig grappend en grollend aansprekend op elkaars vergissingen en misverstanden. Geen gemopper, want we zullen het niet zwaarder maken dan het al is.

Ik probeer me opnieuw een plek te fantaseren tussen deze ruwe bolsters met o, zo blanke pitten. Grote, grove knuffelberen met, als het erop aan komt, behoorlijk scherpe tanden. Zou het me in één keer lukken om van die oude waar-geworden jongensdroom een vrouwen versie te kunnen maken?
De uitdaging kriebelt achter mijn navel. Ik hoor de portofoon al kraken in mijn rechteroor, al kan ik nu nog niet verstaan wie me oproept.

Zal ik gaan werken in digitalië, met beeldschermen, encoders en meetcomputers iets doen met het geluid, of loop ik rond door de venue, eindeloos lopen en praten, overlegen en organiseren, met het productieschema in de hand. Mijn enkels moe en gezwollen wanneer het publiek binnenstroomt. Even toezien, met een glimlach op mijn lippen, hoe de driftige bedrijvigheid van die dag, omslaat in gespannen concentratie, want de show gaat zo beginnen en het moet (weer) perfect zijn.

En tijdens de show? Soms is het heerlijk om op dat ene plekje te staan en het geluid te manipuleren. Fijnslijpen tot de klank helemaal mooi is. dingetjes benadrukken, niet voor mezelf, maar om het publiek een gevoel te geven dat deze avond heel erg de moeite waard was........
Maar het kan net zo mooi zijn om rond te lopen, toe te zien dat alles rondom het podium en in de venue goed gaat. Zorgen dat het publiek veilig en verzorgd is. Zijn de nooduitgangen vrij? lopen de toiletten goed door? zijn er mensen binnen die rottigheid uit willen halen? Is de brandweer wakker en staat de ambulance op zijn plek? Is er veel gedrang bij de bar? Ligt er rommel rond de bonnenautomaat? Zoveel zaken die aandacht vragen en iemand moet die aandacht eraan besteden.

Laat ik het zaallicht maar weer aansteken. Mijn tijd komt vast wel weer, want het blijft trekken. Nu zit ik thuis en daar heb ik het nu druk genoeg mee. het is tijd om te lunchen. Vanmiddag wil ik een klein blokje om, dat is voor vandaag al een Groot Avontuur. Kleine stapjes want ik ben pas ziek geweest.

Het kan vanaf nu alleen maar beter worden.



woensdag 26 oktober 2011

Tranen

Het is nu drie weken na de operatie. Mijn lijf begint te wennen aan het nieuwe, of ik begin te wennen aan het nieuwe aan mijn lijf, dat kan ook.
Ik begin nu eindelijk ook te berusten in het idee dat dit tijd nodig heeft. Niet alleen het lijf om te helen en aan te sterken, maar ook de geest om de overstap te maken.

eigenlijk was ik daar allang mee bezig. Vooral met afscheid nemen, maar dat deed ik vaak op de manier van afsluiten en de deur barricaderen zodat wat ik achterliet me niet meer zou inhalen.
Nu ben ik die barricades aan het afbouwen. Ik wil niet meer haten wat ik niet hoef te haten. Ik wil niet meer bang zijn voor de angsten die er niet meer toe doen.
Alles wat naar mijn idee bij man-zijn hoorde en wat ik niet begreep, kan ik nu aanzien zonder e betrokken te voelen. Ik kan nu zeggen dat ik het niet begrijp. Ik begrijp niet wat een man is. Ik hoef het ook niet te begrijpen, want ik hoef het niet te zijn.

Ik ben er nog niet aan toe om echt te begrijpen wat een vrouw is want mijn gewoonte was om dat buiten te sluiten, niet eigen te maken, dus ik weet niet hoe diep het in me zit. Ik heb het nooit gemeten.
kan ik het meten? Moet ik het meten?
Zal ik het meten of volstaat het te berusten in wat ik nu -eindelijk- ben?

Hoe moeilijk is zo'n berusting? Dat is nieuw voor me. Ik heb een mensenleven lijdzaam ondergaan. Dat is zo anders dan berusting, dat is verlamming.

Ik probeer plannen te maken voor binnenkort, als ik weer helemaal op de been ben, maar het lukt niet zo goed. Ik denk aan bijna alles wat een volwassen vrouw zou kunnen beleven, zou mogen beleven, maar al die gedachten zijn leeg. Er ontbreekt nog iets en ik weet niet wat er ontbreekt. Is dat niet wonderlijk?

Ik heb alleen maar een verleden en een nu. De toekomst ligt voor me klaar, maar die zit nog keurig ingepakt. Ik zal me moeten laten verrassen.

dus ik zet de deuren van mijn geheugen open en ik kijk toe hoe er van alles en nog wat voorbij komt fladderen. Ik betrap mezelf op de ongerijmdheden van vroeger terwijl andere dingen die nooit belangrijk waren opeens heel logisch en belangrijk worden.
Soms huil ik, zomaar om blijkbaar niks. Omdat ik moe ben van alles wat ik zolang heb hoog gehouden?

Het is geen opluchting en ook geen verdriet. Het zijn tranen zonder woorden. Er valt niks te zeggen, maar het moet er toch uit.

Toch hoop ik van harte dat ik woorden zal vinden, want er is me gevraagd en ik heb beloofd om mijn verhaal op te schrijven. Het zal geen verhaal zijn van verdriet en wanhoop, maar van verwondering en volharding. De lust om te leven die het wint van de angst voor het leven.

Maar hoe zal ik beginnen?

"Ik was een dapper jongetje, maar de wereld was te groot voor mij.."

of:

"Ik was een verlegen meisje, zó verlegen dat niemand mij kon zien..."

Of .... Kweenie.

maandag 24 oktober 2011

A new life (een nieuw lijf)

Het is nu drie weken sinds ik me heb gemeld bij het ziekenhuis. Dat was de laatste dag dat ik nog een-soort-van-man was. In deze drie weken is mijn wereld heel klein geworden. Zelfs te klein om onbevangen blij te kunnen zijn met hoe-en-wat ik nu ben.

Het was een zware tijd, er is immers flink in me gesneden en ik had geen idee hoe diep het me zou bewegen.
Allerlei gevoelens en emoties komen langs en ieder daarvan kent een eigen waarheid.
Eerst is er het ongeloof dat 'het' nu gebeurd is. De goede fee is niet gekomen, de lieve god heeft me niet persoonlijk aangeraakt, zoals ik meer dan veertig jaar geleden heb gehoopt en gebeden. Het was dokter K. die me in een paar uur tijd een ander aanzicht heeft gegeven. Ik kan nu bloot zijn zonder schaamte. Het onsmakelijke ding onderaan mijn buik is weg. Nu pas dringt duidelijk tot me door hoe vreselijk ik het vond om daarmee te moeten leven, hoe ik mijn bedgenote gehaat heb omdat zij dat ding wel kon waarderen. Vaak had ik het gevoel dat ik dat ding niet had, maar dat ik dat ding was: Vies en vormeloos

En toen ik er eenmaal vanaf was en probeerde te bedenken wat het voor me betekent, voelde ik me ... niets.
Ik was leeg. Uitgeput van iets wat ik niet begrijp, misschien nooit zal begrijpen. Ik was niet blij of verdrietig, ik voelde me weerloos en bang. Ik was heel bang dat anderen van het moment gebruik zouden maken om me weer een leven op te leggen wat voor mij een leugen zou zijn. Alles in mij verzette zich tegen de wereld om me heen. Ik zag in gedachten figuren op weg naar mijn huis die zich hierbinnen zouden dringen en mij mijn levensruimte ontnemen. Figuren die zichzelf niet kunnen redden en mij in mijn zwakte overmeesteren om mijn verworvenheden te verslinden, als sprinkhanen die het land schraalvreten.
Ze zijn gelukkig niet gekomen. Kennelijk horen dit soort lieden bij 'vroeger' en daar ben ik blij om.

Maar in mijn angst kon ik de lijfelijke verandering moeilijk accepteren. Mijn bekken verkrampte zich. Een vreselijk pijnlijke ervaring. Mijn nieuwe stukje lijf voelde niet zacht en beurs, het was hard en brandend als een haardsteen. Toen ik op internet ging zoeken of er anderen zijn die dit ooit meegemaakt hadden, herkende ik het onder de term 'vaginisme'. Wat een ironie! Nu ben ik eindelijk vrouw, maar ik durf geen vrouw te zijn....?

Zo erg is het niet. Het is weinig anders dan een kwestie van wennen, maar als je te moe bent om te denken, te moe om te 'zijn', kun je nergens aan wennen. Daarom deed ik de boel zolang op slot.
Er is veel om aan te wennen. Niet alleen lichamelijk, misschien is dat wel het minste, maar ook en vooral geestelijk.
Ik ben nu vrouw zonder voorbehoud. het is geen verkleedpartijtje meer. Dat was het nog wel, hoe serieus ook. Nu ben ik geen tweede keus meer, nu ben ik ben ik wat ik ben. Ik heb gekozen; voltooid verleden tijd.
Van die keuze heb ik geen spijt, absoluut niet. Er is nog een moment geweest waarop ik me afvroeg of ik meer dingen had moeten uitproberen toen het nog kon, maar welke dan?

De leuke kanten van het man-zijn hebben niet op kunnen wegen tegen de prettige kanten van het vrouw-zijn.
Dat geldt in elk geval voor mij. Waar ik nu het meeste moeite mee heb, is dat het zoveel pijn en moeite kost om één foutje te herstellen. Ik troost mezelf met de gedachte dat al dit ongemak eindig is, maar het is best groot ongemak: de pijn en de verzorging van 'de wond'. De momenten dat ik me afvraag of er onder de gezwollen hechtingen echt een acceptabele plasser verscholen zit zijn er heel vaak en op die momenten voel ik me grenzeloos alleen.

Geboren worden doe je alleen. Een baby krijst niet van de kou, maar van wanhoop. Wat gaat het worden en wat kan ik ermee doen? Is dit nu het leven?
Ja. Dit is alles. Dit is wat er is. Nu ik gedaan heb wat ik moest doen zonder het zelf ooit helemaal te zullen begrijpen, weet ik zeker dat er niks hogers bestaat dan het leven zelf. Degenen die geloven in dat ding wat door velen 'God' genoemd wordt zijn de stakkers die nog steeds niet los kunnen komen van het gekrijs van hun geboorte.
Ik heb geen God nodig, ik mag leven. Het doet pijn, soms heel erg andere keren minder, maar het is het beste wat ik heb.

Maar het is vreemd, eindeloos vreemd. Zeker nu.
Ik ben nog steeds 'ik', maar alles is anders. Anders dan ik had kunnen denken. Nu is het allemaal echt. Ik weet zeker dat ik zodra de pijn weg is, bedekt zal zijn met kippenvel: "Wat is het leven Mooooooooiiiiii!"

XX